Voor de toepassing van het uitbreidingsplan wordt verstaan onder:
de vloer, gelegen boven de weghoogte van de laagste woon- of verblijfsruimte of bergruimte in een gebouw.
de verticale afstand tussen de weghoogte en de bovenzijde van de goot of kroonlijst van het gebouw.
een terrein, geheel of gedeeltelijk bestemd voor het oprichten van één of meer gebouwen.
een gebouw, waarin verticaal beschouwd één woning voorkomt, die op de begane grond tenminste één woon- of verblijfsruimte bevat.
een naar buiten uitstekend gedeelte van een hoofdgebouw, waarvoor dezelfde profielmaten gelden als voor dat gebouw.
een nevengebouw, één geheel vormend met een hoofdgebouw, waarvan de profielmaten geringer zijn dan die van het hoofdgebouw.
een nevengebouw, dat geheel los staat van het hoofdgebouw en een eventueel daarbij gemaakte aanbouw.
een ruimte in een gebouw of één geheel vormend met dat gebouw, uitsluitend bestemd voor berging, waarvan de vloer de begane grondvloer is.
een gebouw, waarvan de vloer de begane grondvloer is, uitsluitend bestemd voor het stallen van één of meer voertuigen.
| Naar vorige |
Niveau omhoog
Naar boven Start |
Naar volgende |