![]() ![]() |
De WatertorenBergerweg
De architect heeft elementen uit de Hollandse renaissance toegepast, een stijl die vaker werd toegepast voor watertorens. Kenmerken zijn siermetselwerk en het sierreliëf in de vorm van blinde bogen. Nog voor de komst van de watertoren kon in 1885 het eerste duinwater via leidingen in de stad worden getapt. Eind 1886 waren er al 600 aansluitingen. Er waren op diverse plekken in de stad zogeheten standpijpen aangebracht, van waaruit het drinkwater werd verkocht (o.a. op de brug over de Oudegracht bij het Groot Nieuwland en op het Raaksje bij de Schelphoek). In 1889 werden ook de openbare scholen aangesloten op het duinwaterleidingnet. Het drinkwater was schaars. In 1880 werden van gemeentewege regenopvangbakken geplaatst bij grote gebouwen. Stedelingen konden hier tegen kleine vergoeding emmers water kopen. De watertoren zorgde voor de benodigde druk om het water op te pompen. Bovenin zit het stalen waterreservoir, waarin 800.000 liter duinwater kan worden bewaard. Een waterreservoir moet op bepaalde hoogte boven het waterpeil liggen om druk te krijgen. Bij gebrek aan een natuurlijk hoog punt (heuvel of berg) is een torenconstructie noodzaak. Vanuit het reservoir brengt een buizennet het water naar de gebruikers. In 1955 is de bovenbouw gerestaureerd, waarbij de kantelen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn watertorens niet langer onmisbaar in de drinkwatervoorziening. In Nederland zijn vele gesloopt. De Alkmaarse watertoren fungeert tegenwoordig als kunstenaarsatelier. |