Kapelsteeg 03

Waar bent u naar op zoek?

Kapelsteeg 03

Opgravingenoverzicht   -    Achtergrond   -    Alkmaar in 1561   1597   1649   1777   1865 2002 Kapelsteeg 03 (02 KPK) Koppelingsfundering

Zware, doorlopende, zogenaamde 'koppelingsfundering'

Eind 2002 en begin 2003 vonden binnen de Kapelkerk archeologische onderzoeken plaats. Ondanks de beperkte omvang waren de resultaten opmerkelijk.
De restauratiewerkzaamheden in de Kapelkerk, waarbij ook convectorputten voor de verwarming werden aangelegd, waren de aanleiding tot een beperkt archeologisch onderzoek in december 2002. De belangrijkste beperking werd gevormd door de krappe werkruimte. Niet alleen is het gebouw van binnen aanmerkelijk kleiner dan bijvoorbeeld de Grote Kerk, maar ook stonden er monumentale bankenblokken in de weg die niet verplaatst konden worden. Bovendien mocht er niet teveel grond in een keer worden ontgraven vanwege de stabiliteit van het gebouw. Het onderzoek werd in goede samenspraak met architectenbureau Braaksma en Roos en met aannemer Kneppers ingepast in de werkzaamheden.
Er is bij de opgraving een twintigtal graven geborgen. Net als in de Grote Kerk werd in de Kapelkerk begraven in houten kisten, die ter aarde werden besteld en afgedekt door natuurstenen grafzerken. Oorspronkelijk bestond de ondergrond uit een in de 14de eeuw opgebrachte laag vuile klei. Geheel onderin werden nog enkele grafkisten aangetroffen uit een oudere periode, welke in deze vuile kleverige grond waren begraven. Op enig moment heeft men de bovenste 1,5 meter grond binnen de kerk geheel afgegraven en vervangen door zand, vermoedelijk omdat dit het werk van de grafdelvers en het egaliseren van de vloer vergemakkelijkte. In tegenstelling tot de Grote Kerk, waar de conserveringsomstandigheden voor deze materialen gunstiger was, werden geen resten meer gevonden van leer, metaal of textiel. Wel was het kisthout (het meeste was van eiken) nog van vrij goede kwaliteit. Van enkele kisten uit de onderlaag, waaronder een mannengraf dat niet was begraven met het hoofd aan de west- maar aan de oostzijde (mogelijk een priester), is eikenhout bemonsterd voor een dendrochronologische datering. De uitkomst was verrassend: het hout van een van de kisten dateerde uit circa 1579 +/- 6, een tweede na 1460 en een derde na 1461. Volgens de bestaande informatie werd door het stadsbestuur pas in 1575 besloten om de Kapelkerk als begraafplaats in gebruik te nemen, omdat de Grote Kerk door de bevolkingsaanwas te klein dreigde te worden. De vondsten wijzen evenwel op een al eerder bestaand gebruik als begraafplaats- wellicht waren de begrafenissen slechts korte tijd onderbroken als gevolg van de Reformatie en diende de Kapelkerk van aanvang af ook als begraafplaats.
De opgraving was met name gericht op de viering en het oostgedeelte van de Kapelkerk, waar gezocht werd naar de funderingen van oudere bouwfasen. Na afronding van de vorige restauratie in 1952-57 werd door W.J. Reder, de gemeenteambtenaar voor monumentenzorg die toezag op het werk, een artikel geschreven over de bouwgeschiedenis van de Kapelkerk. Hierin schetste hij vijf bouwfasen, waarvan de oudste fase zou hebben bestaan een kleine kapel, welke in opvolgende fasen werd vergroot tot de huidige vorm. De Kapelkerk heeft als het ware een T-vormige plattegrond, welke gevormd wordt door een schip met één zijbeuk, waar in 1707 aan de noordzijde een dwarsschip is aangebouwd. Helaas maakte Reder niet duidelijk op welke aanwijzingen de reconstructies van de oudste bouwfasen waren gebaseerd, maar het zal een samenspel zijn geweest van bovengronds aangetroffen bouwsporen, funderingen en louter hypothesen. De bouwfasen van Reder en met name de exacte dateringen ervan vormden halverwege de jaren 1970 de aanleiding tot een hevig dispuut tussen E.H.P. Cordfunke, onbezoldigd gemeentelijk archeoloog, en de toenmalige gemeente-archivaris W.A. Fasel. Deze discussie werd onder meer gehandicapt doordat de vroegste schriftelijke bronnen over de Kapelkerk erg incompleet zijn en lastig te duiden. De discussie leverde uiteindelijk een veronderstelde datering rond 1440 (Cordfunke) of rond 1500 (Fasel).
Het zwaartepunt van het onderzoek van 2002 lag bij de plaats waar volgens Reder de oostelijke afsluiting van de oudste kapel zich moest bevinden, namelijk in het schip direct oostelijk van de viering met het dwarsschip van 1707. Tot onze grote verrassing werd hier van de oudste kapel evenwel geen spoor aangetroffen. Sterker nog, de onverstoorde ophogingslaag toonde aan dat hier nimmer een kapelfundering was geweest! Pal naast deze plek werd bovendien een beerput aangetroffen, waaruit een handvol 15de-eeuwse scherven werd verzameld. Kennelijk is er tegen het einde van de 15de eeuw een woonhuis gesloopt om plaats te maken voor de Kapelkerk. Reder veronderstelde dat de zijbeuk aan de noordzijde van de Kapelkerk een tweede bouwfase was, als vergroting van die oudste kapel. Ook deze bouwfase blijkt verworpen te kunnen worden. In de westhelft van de kerk zijn namelijk geen sporen zijn aangetroffen van een eventuele kapel-zijmuur. In de westhelft bevinden zich vier afzonderlijke, tamelijk slordig en enigszins uit lijn gemetselde kolomvoeten. Wel werd een zware fundering aangetroffen onder de drie óóstelijke kolomvoeten van de zijbeuk. Er is precies voor die doorlopende fundering dezelfde baksteen gebruikt als voor de daarop gezette peilers. Deze fundering is waarschijnlijk niet te duiden als een oorspronkelijke buitenmuur, omdat aan de buitenzijde geen steunberen waren aangebracht. Er is waarschijnlijk geen sprake van een verschil in bouwfasen, hetgeen ook bevestigd is bij het bouwhistorisch onderzoek. In het opgaand muurwerk heeft bouwhistoricus Jan van der Hoeven tijdens de restauratie geconstateerd dat de bouw van het schip en van de oosthelft van de zijbeuk geen aparte bouwfasen zullen zijn geweest. Er is namelijk nergens een echte bouwnaad. Wel is uit details van het metselwerk en de gebruikte mortel af te leiden dat er een bouwpauze is geweest voorafgaand aan het optrekken van dit deel van de zijbeuk, waarbij men enige tijd de onvoltooide oostmuur van het schip met open vertandingen moet hebben laten staan. De zware doorlopende fundering is hoogst waarschijnlijk te verklaren als een zogeheten koppelingsfundering, tijdens de eerste bouw al aangelegd ten behoeve van de oostelijke peilers. Een dergelijke stevige fundering wordt trouwens in kerken wel vaker aangetroffen onder de scheibogen van schip en zijbeuken.
Onder de westelijke peilers zitten weer wel afzonderlijke kolomvoeten. Kennelijk was er reden om in de oostelijke helft van de Kapelkerk grotere funderingsproblemen te verwachten. De middelste peiler van de zijbeuk, welke bij de verbouwing in 1707 is vervallen en thans onder de open ruimte van de viering is gelegen, bleek bij de opgraving ook een afzonderlijke kolomvoet te zijn geweest, maar hij is wel veel zwaarder uitgevoerd dan de westelijke drie kolomvoeten.
Ondanks deze maatregelen bij de bouw van de funderingen heeft de Kapelkerk naderhand toch te lijden gehad van sterke verzakkingen. Er is wel gedacht dat die problemen, onder meer de sterke scheefstand van alle kolommen, het gevolg zouden zijn van een wat onvoorzichtige ingreep in 1707, toen aan de noordzijde het dwarspand werd gebouwd met een grote ronde boogstelling in de peilerreeks. Echter, bij het archeologisch onderzoek van de in 1707 vervallen kolomvoet konden we constateren dat de detijds verwijderde peiler óók al grote verzakkingen moet hebben gehad. Het grote blok metselwerk van de kolomvoet was immers sterk verzakt, met een ruim 5 cm brede scheur doordat het grootste deel van het blok oostwaarts was verschoven, terwijl de kern van het blok door het gewicht van de peiler circa 5 cm was ingedrukt. De verbouwing van 1707 moet derhalve niet de oorzaak maar het gevolg van de verzakkingsproblemen zijn geweest. Waarschijnljk was de Kapelkerk al behoorlijk instabiel geworden, met grote muurscheuren en verzakkingen in het bovenwerk. Halverwege de zijbeuk heeft men toen een dwarspand ingezet om de slechtste delen weg te kunnen breken en om de kapconstructie te stabiliseren.
Wat betekent dit voorts voor de chronologie? De huidige Kapelkerk is dus in feite gebouwd in slechts twee bouwfasen. De eerste bouwfase betreft het volledige schip met zijbeuk met daarbij een oponthoud bij het voltooien van de noorderzijbeuk. Misschien kreeg men tijdens de bouw problemen met de ondergrond en heeft dit tot vertragingen geleid omdat men worstelde met de oplossing. Uiteindelijk blijkt de gekozen oplossing, die extra zware kolomvoet gevolgd door een koppelingsmuur onder de overige peilers, sterk onvoldoende! De tweede bouwfase was het herstel van de sterk verzakte en verzwakte Kapelkerk door het plaatsen van een dwarspand in 1707. Op grond van de stijl, met name de afwerking van het metselwerk met speklagen, lijkt de eerste bouw pas te dateren vanaf omstreeks 1500, waarbij het oponthoud aan de oostzijde ertoe leidde dat de bouw pas in 1540 is voltooid.

2002 Kapelsteeg 03 (02 KPK) Plattegrond

               Opgravingsplattegrond

Laatste wijziging: 07 oktober 2011