Laat 50 (2007)

Waar bent u naar op zoek?

Laat 50 (2007)

Inleiding


Aan de Laat noordzijde stond op nummer 50 al decennia een gebouw dat uit niet meer bestaat dan een houten gevel en een golfplaten dak. Vanwege plannen voor de bouw van een winkel en woning heeft de afdeling monumentenzorg en archeologie in 2007 het terrein onderzocht op de eventuele aanwezigheid van archeologische restanten. Na de opgraving zijn de resultaten uitgewerkt door Lisette Verspay als onderdeel van een stage bij de gemeente.

Vraagstelling

Het perceel is gelegen tegenover de locatie waar in 1997 en 1998 grootschalige opgravingen plaats vonden nadat er een doe-het-zelf winkel in vlammen was op gegaan. Er waren toen de restanten aangetroffen van een laat-14de-of vroeg-15de-eeuws boerderijtje en aanwijzingen dat er nog twee naast hadden gestaan. Mogelijk stond er aan de zuidzijde van de Laat rond 1400 een soort lintbebouwing. Voorafgaand aan de bouw ervan had men het gebied ingrijpend gewijzigd. Er werden namelijk in de opgravingen resten gevonden van een oorspronkelijke veenlaag die in het gebied grotendeels was weggestoken en vervangen door aangebrachte grond. Het terrein was destijds buitendijks land tussen het Voormeer (ter plaatse van het meest oostelijke deel van de huidige binnenstad) en de Voormeerdijk (ter plaatse van Groot en Klein Nieuwland, Overdiepad en verder oostwaarts omstreeks de Hooftstraat en Uitenboschstraat). Later in de 15de eeuw verdwenen deze boerderijen, werd het gebied opgehoogd en kwam er een nieuwe, meer aaneengesloten bebouwing langs de Laat.
In aansluiting op deze gegevens betrof de vraagstelling bij de opgraving van Laat 50 dan ook de bodemopbouw en de vraag naar de locatie van de toenmalige oever van het Voormeer, alsmede de aard en ontwikkeling van de bebouwing in de loop der tijd.

Beschoeiing

Het perceel Laat 50 is ruim 21 meter lang, aan de straatzijde ruim 6 meter breed maar de achterhelft van het perceel verbreedt zich tot ruim 12 meter. In tegenstelling tot onze verwachtingen werden op het achterterrein vrijwel geen vondstcomplexen aangetroffen die aan bewoning konden worden gerelateerd, zoals beerputten, waterputten en afvalkuilen.Interessant was de ontdekking van een oost west georiënteerde beschoeiing op ongeveer 16.50 meter van de Laat, bestaande uit ingeslagen palen en houten planken. Het water bevond zich aan de noordzijde van deze beschoeiing. Of we hier te maken hebben met een meeroever of slechts een slootje kon niet worden vastgesteld vanwege de onmiddellijke nabijheid van de tuinmuur van de achterbuurman aan het Verdronkenoord. Diverse houten planken en palen werden bemonsterd voor een dendrochronologische datering maar slechts één monster leverde een resultaat… namelijk hout van een boom die was gekapt ná 1380 (RING intern rapport nummer: 2007071). Omdat de datum van het hout niet meerdere decennia later zal zijn, lijkt het erop dat deze beschoeiing dienst deed vlak voor of tijdens de gebruiksperiode van de boerderijen aan de overkant van de Laat.
Opvallend is dat de verkaveling in het blok tussen Laat en Verdronkenoord niet doorloopt van noord naar zuid, maar dat de Laat-zijde een andere indeling heeft dan de Verdronkenoord-zijde. De begrenzing wordt schijnbaar gevormd door onze gevonden beschoeiing.

Bewoning

Aan de Laatzijde werden een vrijwel complete plattegrond opgegraven van een gebouw, mogelijk nog daterend uit de tweede helft van de 15de eeuw. De funderingen waren vervaardigd uit baksteen maar we denken dat op deze bakstenen funderingen in eerste instantie een houten huis heeft gestaan. De tussenwanden bestonden in eerste instantie ook uit hout, gefundeerd op houten leggers. De eerste vloeren bestonden uit een laag klei, waarin haardjes zijn aangetroffen die centraal in de ruimte moeten hebben gelegen. Later werd dit vervangen door een plavuizenvloer. De haardplaatsen werden op enig moment verplaatst naar een soort brandmuur halverwege het gebouw, met aan weerszijden ervan een open doorgang. De brandmuur stond min of meer vrij in de ruimte en hij zal aan de balklaag erboven verankerd zijn geweest. Zowel aan de voor- als achterzijde van de brandmuur waren haardplaatsen en de muur zal een dubbele schouw en schoorsteen hebben gedragen. Zo’n stookplaats had een concave achterwand.
Op enig moment is het pand in baksteen herbouwd, met handhaving van de brandmuur. Deze werd opgenomen in een bakstenen tussenmuur. Het pand werd naderhand gebruikt voor ambachtelijke activiteiten. In het achterhuis werd een ronde oven gebouwd, de brandmuur werd doorbroken om te kunnen stoken vanuit de andere kant. Waarvoor deze oven diende is niet bekend maar mogelijk hield hij verband met beenbewerking, waarvan in het pand enkele afvalresten zijn gevonden.
In een volgende verbouwing werd de gehele westelijke zijmuur van het pand terug gezet om een steeg te creëren. Aan de straatkant werd een kelder aangetroffen met daarin geïntegreerd een soort waterput gevuld met schelpen, hetgeen mogelijk diende om de kelder droog te houden. Ook aan de kelder konden diverse verbouwingen worden herkend. Een belangrijke verandering vond plaats in het laatste kwart van de 17de eeuw. Er zijn vanaf deze tijd geen bouwsporen meer in het pand aangetroffen en vermoedelijk verviel het toen tot pakhuis. Om onduidelijke reden is omstreeks deze tijd ook het gehele achterterrein een halve meter diep omgespit. Uiteindelijk maakte het pand plaats voor het bouwsel dat er nu nog staat.

Vloer met troffel vrij gemaakt

Afb. 1
Lisette legt met een troffel de ovenvloer vrij

Oven met stookgat

Afb. 2
De oven sluit aan op de bakstenen brandmuur, waarin een stookgat was uitgehakt, gevuld met zwarte as

Laatste wijziging: 28 december 2015